Het onderwijs aan onze school

Onderwijskundig
 
 
De kleuterklas[1]
De Noorderkroon heeft een kleuterklas van heterogene samenstelling. Dat wil zeggen dat de kinderen van vier tot en met zes jaar bij elkaar in een klas zitten. Zij blijven de gehele kleuterperiode bij dezelfde leerkracht.
Daardoor kunnen de jonge kleuters van oudere kleuters leren en andersom. Zij stimuleren elkaar over en weer in hun mentale, sociale en intellectuele ontwikkeling. De oudste kinderen krijgen een extra stimulans in hun sociale ontwikkeling door jongere kinderen te helpen en een voorbeeld voor hen te zijn. Omdat iedereen een keer jongste en oudste kleuter in de klas is, wisselen de rollen die het kind heeft in de loop van de kleuterperiode.
 
De onderbouw is volgens hetzelfde principe van de heterogene groepen samengesteld. Zij is onderverdeeld in twee groepen. De leerlingen van 6 t /m  9 jaar en die van 10 t /m 12 jaar.
Het streven is dat de leerkracht van elk van deze groepen de leerlingen drie jaar lang begeleidt. Eén leerkracht zal dus drie jaar de groep van 6 t/m 9 begeleiden en de ander 10 t /m 12 jaar.
Ook hier geldt het principe dat oudere en jongere leerlingen elkaar wederzijds vooruit helpen in het leerproces, in het sociale en het samenwerken.
Er zal veel in tweetallen en in groepen gewerkt worden, naast klassikaal en individueel. 
Het streven is de komende jaren meerdere heterogene groepen samen te stellen.



Pedagogisch
 Het onderwijs in de kleuterklas
In de kleuterklassen wordt voornamelijk gespeeld. Al spelend ontwikkelt het kind taalgevoel, motoriek, sociale vaardigheid etc. Daarnaast is er een rijk aanbod van versjes, liedjes, verhalen en gesprekken. Vertellen en voorlezen vormen daarin een belangrijke bijdrage aan de literaire beleving van de kinderen. Er wordt toneel gespeeld, poppenkast etc. In het bouwen ontwikkelen kinderen hun rekenvaardigheid en constructieve inzicht.
De kleuterklas kent een huiselijke sfeer en is met een keur aan materialen zorgvuldig ingericht. Het materiaal is mooi gevormd en van natuurlijke stoffen gemaakt.
 
Iedere ochtend begint met het samenkomen in de kring. De kinderen zingen een ochtendlied, er wordt uitgewisseld wat is beleefd. Eerst spelen de kinderen onder leiding van hun juf een geleid spel, waarin bewegingszin, het geheugen en het vergroten van woordenschat worden aangesproken. Zo’n spel heeft  meestal een seizoenskarakter; bijvoorbeeld een spel rond “Koning Winter”. Daarna is er ongeveer 1,5 uur gelegenheid om vrij te spelen. Hierin worden tal van basale vaardigheden aangesproken: samenwerken, fantasie, oplossingsgericht denken etc. Na het spelen wordt de klas weer opgeruimd. Jonge kleuters krijgen een kleine taak, grote kleuters helpen vaak uit zichzelf al ijverig mee. De kinderen worden aangesproken in hun talent of wilsrichting en krijgen daardoor taken die bij hen passen.
Wanneer de klas opgeruimd is gaan we aan tafel. De tafel wordt zorgvuldig gedekt. De kinderen eten hun meegebrachte of op school gebakken brood op en er wordt wat bij gedronken. Na het eten gaan ze naar buiten om te spelen of te wandelen. Dan volgt een gezamenlijke activiteit zoals tekenen, schilderen, boetseren met bijenwas of knutselen. Elke dag heeft een vaste activiteit. Aan het eind van de dag wordt er een verhaal verteld. Meestal is dit een sprookje.
De jaarfeesten nemen in de kleuterklas een centrale plaats in. Kerstmis, Pasen, Sint Jan, Michaël, Sint Maarten, Sinterklaas, maar ook enkele minder bekende feesten hebben hun eigen plaats in het jaar. Zo bepalen zij het jaarritme. Ze geven kleur aan een bepaalde periode in het jaar.
Centraal in de kleuterklas is het uitgangspunt dat er door een rijk en gevarieerd aanbod vanzelf door de kinderen veel geleerd wordt dat ook hun cognitieve ontwikkeling ten goede komt. We noemen dit impliciet leren.
Het onderwijs in de onderbouwgroepen
Het onderwijs in alle groepen word gekenmerkt door een doordacht dagritme. De cognitieve stof krijgt een hoofdimpuls in de eerste twee uren van de ochtend (de zg. periode). Dit houdt in dat gedurende drie of vier weken een hoofdvak gegeven wordt: rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis etc. Na de pauze komen de wekelijks terugkerende oefenuren en vaklessen aan bod: vreemde talen, spelling, rekenvaardigheid, vertellen, muziek, gym etc. ’s Middag komen de meer handvaardige en praktische vakken waarin ook het oefenen van basisvaardigheden in taal en rekenen weer aan bod komen. Ook gym kan ’s middags worden gegeven. Belangrijk is ook er ‘s middags op uit te trekken in het kader van een project of een andere buitenactiviteit. Overigens zal er ook in de ochtendperiode op uit getrokken worden om waar nodig een concrete situatie te zoeken die past bij de leerstof.
Het cognitieve werken van de ochtend wordt ondersteund door kunstzinnige en bewegingsactiviteiten om te zorgen voor verfrissing en extra aanknopingspunten het geleerde te laten beklijven.
Zo kun je de tafels van vermenigvuldiging uit je hoofd leren maar je kunt ze ook vanuit de beweging leren, door ze te klappen en te stampen bijvoorbeeld.
Het gehele onderwijs is doordrongen van expressieactiviteiten. In deze activiteiten wordt de hele mens aangesproken: tekenen, schilderen, vormtekenen, toneelspel, boetseren, knutselen, muziek en handvaardigheid leveren overal in de week hun bijdrage.
Het werken met heterogene groepen genereert leergierigheid en een onderzoekende houding. Leerlingen werken samen, beoordelen elkaars werk, leren reflecteren. Daar is veel sociaal verkeer. In dat alles zijn er ook momenten waarop ieder kind of iedere leeftijdsgroep even wil terugzakken in zijn eigen binnenwereld. Dat doe je door een leesboek of door een verhaal en dan het liefst een verhaal dat bij je leeftijd past.
In de Waldorfscholen is van oudsher een rijke vertelcultuur. De grote verhalen van de mensheid begeleiden de opgroeiende mens op zijn levenspad. Eenmaal achttienjarig zal hij zelf het pad van de wereldliteratuur betreden in de twaalfde klas van de Bovenbouw[2].
 
In de eerste jaren van het schoolleven worden sprookjes en stapelverzen verteld en prentenboeken voorgelezen.
Zo rond het achtste jaar hoort hij de bekendste Heiligenlegenden en fabels. Rond het negende jaar vertellen we de verhalen uit het Oude Testament en rond het tiende jaar de verhalen uit de Oude Noorse Edda en de Germaans mythologie. Rond het elfde jaar worden de oude Grieken ten tonele gevoerd en rond het twaalfde jaar de verhalen uit de tijd der Romeinen en uit de Middeleeuwen. Zo maken de leerlingen in deze mensheidsverhalen het ontstaan van de mensheid nog eens opnieuw mee en kunnen zij zich daar innerlijk aan spiegelen.
In de verteluren horen de jongere verhalen en horen en vertellen de oudere kinderen, ouders en leerkrachten deze verhalen.
De jongste kinderen van 6 t/ m 9 jaar
 
Belangrijke leervaardigheden in deze leeftijd zijn voordoen, nadoen, samenwerking en al doende onderzoeken.
De kinderen doen nog graag. Zij zijn open voor het goede verhaal, maar ook nieuwsgierig zelf hun ontdekkingen te doen en willen die graag melden. De groep is net als het individu een lerende eenheid. Kinderen willen zelf leren en leren van elkaar en van de volwassenen.
Belangrijk aspect is het zien van de individuele leerstijl of werkstijl van het kind; zijn wilsrichting. Deze wil altijd zijn bijdrage leveren aan het geheel. Een school is in die zin net een klein bedrijf, een onderneming
 
Schrijven:
De jongste kinderen zijn van nature nog ‘kunstenaars’. Zij verbeelden graag. Van letters die zij zien kunnen zij hun eigen beelden maken. Zij schilderen en tekenen deze letters graag. Deze beelden helpen de abstracte lettertekens te leren en ze later aan elkaar te schrijven. Ze kijken naar elkaar en leren van elkaar. Een mooi handschrift wordt ondersteund door goede voorbeelden, het vormtekenen en … veel oefenen.
 
Lezen, spelling en grammatica:
Eigen gekende liedjes, versjes en teksten worden met behulp van de oudere leerlingen omgezet in leesteksten. Het lezen wordt ingebed in een krachtige leescultuur met aandacht voor het goede kinderboek.
Nadat de eerste beginselen van het lezen zijn aangeleerd gaan de kinderen individueel of in groepen lezen. Bij dit niveaulezen helpen ouders en oudere leerlingen. Ook wordt er in tutorgroepjes gelezen: een kind uit een hogere klas leest individueel met een jonger kind.
Spelling, dictee, lezen en schrijven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De kunst is de leergierigheid van de kinderen te wekken en ze de kans te geven te excelleren.
In alle zaakvakken en praktische projecten wordt het begrijpend lezen beoefend.
Zinsbouw, woordsoorten kennis en interpunctie worden ontwikkeld.
 
Rekenen:
Nadat de kwalitatieve kant van de getallen is verkend, wordt er veel al doende gerekend. Ook worden de tafels van vermenigvuldiging vanuit beweging en muzikaliteit aangezet. Later op rij en kris kras uit het hoofd geleerd.
De eerste getallen worden aangeleerd waarna de vier hoofdbewerkingen (optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen) geoefend worden. Rekenverhalen, twintig- en honderdveld doen hun intrede. Het geld- en handig rekenen wordt geleerd. Het hoofdrekenen neemt een belangrijke plaats in naast het handig rekenen. Steeds is het belangrijk de koppeling te maken met praktische handelingen waarbij rekenen wordt toegepast. Begonnen wordt met het ontdekken van de lichaamseigen maten: de el, de voet , de duim etc. en van daaruit naar de standaardmaten uit het metrieke stelsel. Tenslotte wordt het cijferen geleerd; het onder elkaar optellen, aftrekken en vermenigvuldigen.
Daarnaast is er veel materiaal om onder te duiken in de wereld van de getallen en het rekenen.
 
Zaakvakken:
Langzamerhand groeit de interesse voor hoe de mensen de dingen geleerd hebben. Van ‘Hoe maak je inkt’, tot ‘Kun je zelf kaas maken? Een zinvolle handelende verbinding met de omgeving is hier Leitmotiv; niet alleen weten, maar vooral ook zelf maken. Deelgenoot worden van de wereld om je heen. Dat alles is nog doordrongen van fantasie, sterke beleving en verwondering.
Het volgende zaakvak wordt in periode of projectvorm gegeven: Heemkunde waaronder kennis van de ambachten en beroepen en eenvoudige productsamenstellingen.
 
Beweging:
Bewegingsspelen worden door de kinderen graag gedaan. Het zijn zinvolle en op elkaar afgestemde bewegingen.
Tikspelen, klimmen en klauteren, stoeien en balspelen horen tot het repertoire. Er wordt bewogen en uitgebeeld in de grammatica en in die spelen en oefeningen die leerlingen helpen elkaar te ondersteunen en vertrouwen.
 
Met het tiende jaar wordt ontwikkelingspsychologisch een grens overschreden. Je zou het de eerste voorbode van de puberteit kunnen noemen. Het kind komt nu langzamerhand tot een andere innerlijke houding. Dit fenomeen noemen we ‘de scheiding van ik en wereld’. Het kind voelt zich meer naar de wereld kijken , waar hij er voorheen meer in ondergedompeld was. In de echte puberteit wordt dat nog sterker en gaat het kind zich tegen van alles en nog wat afzetten. Hij komt tegenover de wereld te staan. De kunst van de opvoeding in de leeftijd van 9 t/m 12 jaar en ook daarna is de jonge mens opnieuw weer te verbinden met de wereld waarmee hij voorheen als klein kind vanzelfsprekend was verbonden.
Het toeschouwersbewustzijn van kinderen na het tiende jaar leidt er toe dat zij rond het twaalfde jaar meer en meer in staat zijn te abstraheren. Zij kunnen bijvoorbeeld uit natuurkundige fenomenen wetmatigheden destilleren of algebraïsch denken.
 
Schrijven:
Het krijgen van een goed handschrift heeft zijn basis gekregen in de voorgaande drie jaren. Verdergaande oefening onderhoudt dat handschrift. Kennismaking met andere letterstijlen en kalligrafie ondersteunen de schrijfvaardigheid.
 
Lezen, spelling en grammatica:
Het leesproces is ingebed in een krachtige leescultuur. Niet alleen in de literaire beleving van het goede kinderboek, maar ook tijdens het lezen van kennisboeken en –sites in het periodewerk.
De oudere leerlingen hebben een belangrijke functie in de leescultuur van de school. Naast het eigen lezen helpen zij bij het tutorlezen, lezen voor en geven uitnodigende boekpresentaties.
Het correct leren schrijven is vooral verbonden met het schrijven aan anderen: voor je werkstuk, aan je oma etc. Dan merk je in de concepten wat je nog te leren hebt. Spelling is een je nauwkeurig leren uitdrukken en vraagt om een voortdurende verzorging. De kunst is de motivatie voor het spellingsonderwijs hoog te houden.
Spelling, lezen en schrijven blijven ook in deze leeftijdsgroep met elkaar verbonden. Van belang is het ontwikkelen van samenwerking, helderheid over je niveau en over wat er gekund moet worden.
In alle zaakvakken en praktische projecten wordt het begrijpend lezen beoefend.
Zins- en woordontleding, uitdrukkingsvormen, lijdende en bedrijvende vorm, de samengestelde zin etc. worden beoefend.
 
Rekenen:
Aan het eind van de eerste drie jaren werd het cijferend rekenen en meten en wegen aangeleerd op basis van inschatten, goed hoofdrekenen en handig rekenen. Dit wordt uitgebreid met de staartdeling, decimale stelsel, verhoudingen, breuken en tenslotte de algebra en meetkunde. Vooral in het rekenen geldt dat je in staat bent te abstraheren en omgekeerd dat je van een abstractie weer een concrete  werkelijkheid kunt maken. Deze vaardigheid vindt zijn hoogtepunt in de algebra. Ook hier is het elkaar op weg helpen en uitdagingen stellen een belangrijk element. Het rekenen is als vak vaak een onderdeel van een ander vak. In de aardrijkskunde zal het optreden bij het maken van grafieken en talbellen. In de geschiedenis bij het maken van een tijdsbalk. In de handvaardigheid bij het meten etc.
Een bijzondere plaats neemt het handelsrekenen in vooral in relatie tot de economische aardrijkskunde.
 
Zaakvakken:
In het aanbieden van de zaakvakken wordt de ontwikkelingspsychologische verandering duidelijk merkbaar. Er ontstaat nu een breed pallet aan vakken.
In de biologie verschijnt eerst de dierkunde die laat zien hoe de dierenwereld een afspiegeling is van de mensen wereld. Iedere menselijk deelfunctie is terug te vinden in een diersoort.
In de plantkunde ontdekken we dat ook de plantenwereld niet alleen Linnaeïsch is geordend. Er wordt intensief waargenomen, gerekend en geleerd hoe  je met de natuur verbonden bent. Tuinbouw doet zijn intrede.
De aardrijkskunde richt zich aanvankelijk op de eigen omgeving en het eigen land,  het netwerk waarin wij dagelijks leven. Vervolgens op Europa en dan de gehele wereld. De aardrijkskunde wordt uiteindelijk mondiaal, omdat de weg van een product ons overal brengt en in de economische aardrijkskunde de grootste samenhangen zichtbaar maakt.
 
Daarentegen begint de geschiedenis direct bij de mensheidsgeschiedenis. Waar begon onze wereldcultuur. Van het oude India, Egypte en  Babylonië tot Griekenland, Romeinen en het middeleeuwse Europa.
Natuurkundige verschijnselen als magnetisme, warmte, elektriciteit, akoestiek en optica zijn aanleiding tot praktisch onderzoek. Meetkunde en algebra doen hun intrede. Om een constructie te maken met alleen passer, liniaal en potlood moet je heel precies de regels kennen, die voortkomen uit praktisch denken. Bij kennisverwerving wordt ook van de computer gebruik gemaakt.
De volgende zaakvakken worden in periode of projectvorm geven: aardrijkskunde, dierkunde,  plantkunde, geschiedenis en natuurkunde.
 
Beweging:
Niet alle beweging is gymles. Er wordt tussendoor bewogen om even te re-setten en weer fris te worden. Er wordt bewogen in de algebra les op de lijn van de positieve en negatieve getallen of in de natuurkunde bij +3 en -7 graden Celcius. Er wordt bewogen en uitgebeeld in de grammatica en in die spelen en oefeningen die leerlingen helpen elkaar te ondersteunen en vertrouwen. Vanzelfsprekend kan dit laatste aspect ook een belangrijke rol spelen in de gym-les.
Muziek
Tijdens de gehele schooltijd speelt muziek een belangrijke rol in ons onderwijs. In de kleuterklas vormen liedjes een groot deel van de gezamenlijke momenten en zingt de leidster versjes van vroeger, liedjes die passen bij het seizoen en wordt geluisterd naar muziek en zelf muziek gemaakt.
In de eerste en tweede klas wordt er iedere dag gezongen en met behulp van spelletjes ritme en maat geoefend.
De kinderen leren blokfluit spelen. De tafels van vermenigvuldiging kunnen zingend worden geleerd.
Wanneer de kinderen na klas 6 de school verlaten hebben zij ervaring opgedaan met meerstemmig zingen, fluiten en noten lezen.
 
Vanaf de eerste klas verschijnt het vak gymnastiek op het rooster. In de gymnastieklessen wordt de nadruk gelegd op de balspelen, fantasiespelen, klimmen en duikelen etc. In tal van fantasiespelen komen oer-oude thema‘s terug: jezelf er door slaan, niet bang zijn, durf tonen, samenwerken, eenzaamheid moeten verdragen etc. In die zin is gym een vak voor lichaam, ziel en geest.
De vakleerkracht geeft de gymnastieklessen in het gymlokaal naast de school. Dit vak wordt eens per week een vol uur gegeven. Vanuit het bewegingsonderwijs wordt aangesloten bij een aantal locale sportevenementen.
 
Handvaardigheid
Handvaardigheid op de Waldorfschool is een middel kinderen te laten zien waar en hoe producten om ons heen ontstaan. Bovendien wordt vanaf jonge leeftijd het ruimtelijke voorstellingsvermogen bevorderd. Ook het geordend en aanhoudend doordenken wordt gestimuleerd. Van grote waarde zijn de concentratie, de inspanning en volharding die de kinderen oefenen bij het maken van de werkstukken.
Bij handwerken wordt aandacht besteed aan het breien (klas 1), het haken (klas 2), breien, haken, borduren (klas 3), kruissteek (klas 4), dieren van stof, wanten of sokken maken (klas 5), pantoffels of sloffen maken (klas 6).
Bij houtbewerking (vanaf klas 4 of 5) wordt oa. aandacht besteed aan het ontstaan van gereedschappen, het maken van speelgoed en gebruiksvoorwerpen. Snijden, gutsen, zagen en beitelen worden aangeleerd.
 
 
Vreemde talen worden om twee redenen gegeven. Ten eerste omdat het kind zich moet inspannen hem vreemde klanken van zin en betekenis te voorzien. Dat is zowel voor zijn sociale als zijn taalontwikkeling van belang. De tweede reden is met de eerste vreemde taal aan te sluiten bij de maatschappelijke werkelijkheid. In ons werelddeel is dat het Engels. Dit wordt vanaf de eerste klas als vakles meerder malen per week gegeven
De eerste jaren leren de kinderen in liedjes, spelletjes, tweegesprekken, toneelstukjes  en gedichten de vreemde talen spelenderwijs kennen. Wanneer er op deze manier een zekere mate van vertrouwdheid met de taal is ontstaan, wordt er vanaf de vierde klas ook geschreven en gelezen. Op deze manier gaat dus net als bij de moedertaal het spreken vooraf aan het schrijven en lezen.


[2] De Bovenbouw van de Waldorfscholen is voor leerlingen van 12 -18 jaar.


[1] Wij noemen dit nog nadrukkelijk een kleuterklas om aan te geven dat er een duidelijk ontwikkelingspsychologisch verschil is tussen kleuters en het echte lagereschool kind.