You are missing some Flash content that should appear here! Perhaps your browser cannot display it, or maybe it did not initialise correctly.
Volgen van de ontwikkeling van de leerlingen
“In de vrije school wordt de leersof gemaakt tot een zinvolle en uitdagende aangelegenheid.”
De zorg voor de leerling is in eerste instantie een aangelegenheid van de klassenleerkracht, die zoveel mogelijk probeert in te spelen op diverse wilsrichtingen van de kinderen. Dat betekent dat de leerkracht een breed palet aan didactische, methodische en pedagogische werkwijzen inzet. Binnen de klas worden een leergemeenschap in gericht waarin ook voor kinderen met een behoefte aan extra instructie een plek is. ‘Extra hulp’ is zo bezien een deel van het leerproces van alle kinderen. Zij helpen elkaar verder in het streven samen beter te worden en individuele talenten tot hun recht te laten komen. Noch de zwakken noch de begaafden worden geïsoleerd. In de leer- en werkstijl van ieder kind leeft de wens een bijdrage te leveren aan het geheel.
Een zorgkind wijst niet alleen op een gebrek, maar ook op de positieve kant van dat ogenschijnlijke gebrek.
Wie begaafd is wil het gevonden principe kunnen toepassen in een praktische constructie ten dienste van het geheel van de klas. Denken en doen hangen met elkaar samen. Wie dyslectisch is heeft vanuit datzelfde dyslectische ook een talent en wil van daaruit ook zijn bijdrage leveren aan de klas, wil bijvoorbeeld de zaken bewegelijk en van meerdere kanten bekijken.
Leerlingvolgsysteem
Om de ontwikkeling van elke leerling goed te volgen hanteren wij een leerlingvolgsysteem. De leerkrachten reflecteren regelmatig op de ontwikkeling van de leerlingen, maken notities van vorderingen in het periodeonderwijs, de oefenuren en de vaklessen.
Naast de eigen doorgaande reflectie maakt de leerkracht gebruik van toetsmomenten. Hij ontwikkelt zelf toetsen die passen bij het karakter van het periodeonderwijs en maakt gebruik van gestandaardiseerde landelijke toetsen.
In de kleuterklas volgt men de ontwikkeling door waarnemingen m.b.v. observatielijsten.
Dit alles helpt de leerkracht de totale ontwikkeling van de leerling in beeld te brengen. Zowel ontwikkelingsvragen als cognitieve worden zo in kaart gebracht.
Daarbij helpt het handelingsplannen op te stellen vanuit leerkrachthandelingen beschreven; zo concreet mogelijk en gericht op de korte termijn en een direct resultaat.
Daarnaast komt de ontwikkelingsvraag vanuit de wilsrichting in beeld waar de leerkracht samen met zijn collega’s en de ouders van de leerling langere tijd mee zal werken. Deze ontwikkelingsvraag staat centraal in het twintig-minuten-gesprek dat twee maal per jaar plaatsvindt.
Van ieder kind wordt een dossier bijgehouden. Dit dossier bevat alle belangrijke gegevens over de leerling.
Iedere ouder heeft het recht om het dossier van het eigen kind in te zien. De dossiers worden zorgvuldig beheerd door de leerkrachten en de intern begeleider voert de eindverantwoordelijkheid.
Kinderen, die om welke reden dan ook opvallen, worden in de pedagogische werkvergadering nader besproken en in specifieke gevallen ook in het zorgteam.
Toetsen
Bij de overgang van de kleuterklas naar eerste klas, maken we gebruik van het leerrijpheidsonderzoek ontwikkeld door de Schoolbegeleidingsdienst voor Vrijescholen. In de eerste klas begint immers een andere ontwikkelingsfase van het kind. Het is een onderzoek dat in het voorjaar wordt afgenomen. Dat geschiedt op een zodanige wijze dat de kinderen spelenderwijs een aantal opdrachten doen. De uitslag wordt in het zorgteam besproken. Bij twijfel volgt er een gesprek met ouders en eventueel een tweede onderzoek.
Om een kind vanaf de eersteklas-leeftijd goed in zijn cognitieve ontwikkelingsgang te kunnen volgen, wordt twee keer per jaar op lezen, taal en rekenen getoetst. De toetsen worden afgenomen door de klassenleerkracht, de remedial teacher of de intern begeleider en zijn landelijk genormeerd.
Vanaf klas 4 worden de vorderingen van de leerlingen op het gebied van begrijpend lezen eenmaal per jaar getoetst . Ook hiervoor worden landelijk genormeerde toetsen gebruikt.
De intern begeleider bespreekt met de klassenleerkracht en de directie de resultaten. Eventueel vindt een terugkoppeling plaats naar de pedagogische werkvergadering. De leerkracht bespreekt de resultaten in het twintig-minuten-gesprek met de ouders.
Eersteklas onderzoek
Dit is bedoeld als een observatie-instrument, dat de mogelijkheid geeft zicht te krijgen op een aantal specifieke leervoorwaarden van eerste klas leerlingen. Het is bovendien een vervolg op het kleuteronderzoek, zodat de ontwikkeling van de leerling zichtbaar gemaakt wordt.
Met behulp van het eersteklasonderzoek kunnen eventuele hiaten in de motorische ontwikkeling gesignaleerd worden en of er sprake is van een rijpingsachterstand. Bovendien wordt gekeken naar de auditieve vaardigheden, de rekenvoorwaarden en de taalvaardigheid en taalbewustzijn.
Een en ander past in het protocol ‘Leesproblemen en dyslexie’. Specifieke onderdelen, genoemd in het dyslexieprotocol, worden opgenomen in het leerlingvolgsysteem voor klas 1/2 . Daarbij kunnen een aantal onderdelen klassikaal worden geobserveerd en een aantal zullen individueel worden afgenomen.
Leerlingbespreking
De leerlingbespreking is een belangrijk middel om de leerlingen te ondersteunen.
De bespreking vindt plaats in de pedagogische werkvergadering, waar in principe alle leerkrachten, de RT-er en de directie aan deelnemen.
Langs de methodische weg van het ‘ervarend leren’ wordt de voorlopige wilsrichting van een leerling gezocht.
Het doel is om tot pedagogisch-didactische tips te komen die een nieuwe ontwikkeling kunnen inzetten.
Ouders kunnen aan de bespreking deelnemen. Verslaglegging vindt plaats en wordt bewaard in het leerlingendossier.
Deze leerlingbesprekingen zijn bovendien een belangrijk instrument in het oefenen van de pedagogische vaardigheden en grondhouding van leerkrachten en ouders.
Klassenbespreking
Eenmaal per jaar en verder indien gebeurtenissen daartoe aanleiding geven, worden de klassen besproken in de pedagogische werkvergadering. Het gaat er hierbij om de wilsrichting van de klas te pakken. Daardoor verschijnt de dynamiek van de klas. Daarnaast verwerven leerkrachten inzicht in het functioneren van de klas op cognitief en sociaal-emotioneel gebied. Het doel is de klas als geheel een stap verder te brengen in zijn ontwikkeling.
Getuigschriften
Aan het eind van het schooljaar krijgen de leerlingen van klas 1 t/m 6 een getuigschrift mee. Dit getuigschrift bevat een geschreven verslag over de ontwikkeling van het kind gedurende het afgelopen schooljaar. Er staan geen cijfers in. Daarnaast wordt beschreven, wat het kind het afgelopen jaar geleerd heeft en waar nog eventuele hiaten zitten.
Het getuigschrift is ook een werkdocument waarvan het daaropvolgende jaar gebruik kan worden gemaakt. Het beschrijft dan de wijze waarop de leerling voor het komende jaar in zijn wilsrichting zou kunnen worden ondersteund. Tenslotte bevat het getuigschrift een voor het kind in beeld- of spreukvorm beschreven aansporing zijn eigen wilsimpuls op te pakken.
De zorgstructuur
Om kinderen met een meer specifieke vraagstelling goed te kunnen volgen en te ondersteunen heeft de school een samenhangende zorgstructuur ontwikkeld. Het zorgteam vervult hierin een centrale rol en bestaat uit de Intern Begeleidster (IB), de Remedial teacher (RT) aangevuld met een steeds wisselende leerkracht.
Een specifieke vraagstelling van een leerling kan door meerdere mensen worden ingebracht:
- Dat kan de klassenleerkracht zijn
- Dat kan de ouder zijn
- Dat kan een andere collega, de RT-er of IB-er zijn
Aansluitend wordt het volgende traject gegaan:
- als eerste wordt het kind ingebracht in de kinderbespreking
- ouders doen bij voorkeur mee aan de bespreking
- hieruit volgen pedagogische en didactische tips die enkele weken later worden geëvalueerd
Vanuit deze bespreking wordt tevens een aanzet gegeven voor eventuele RT. Ook leerproblemen worden benaderd vanuit dat wat de leerling als wilsrichting in zich draagt. Van daaruit kan een zinvol traject voor hem worden ontworpen in het handelingsplan.
Als er besloten wordt tot een extra inzet in de klas of daarbuiten dan wordt deze gecoördineerd vanuit het zorgteam.
De volgende vormen van extra ondersteuning zijn mogelijk:
- een extra inzet van de klassenleerkracht in de klassensituatie
- extra hulp en of ondersteuning in de klas door de RT-er
- extra hulp of ondersteuning buiten de klas door de RT-er
- een nader onderzoek door de Intern Begeleider
- een aanmelding voor aanvullende bespreking met een extern deskundige
Er wordt een behandelingsplan opgesteld dat beschrijft welke activiteiten door wie worden gedaan. Ouders worden altijd op de hoogte gesteld van de inhoud van het behandelingsplan.
Daarnaast is er een concreet handelingsplan dat de handelingen beschrijft die de leerkracht of de RT-er zich voornemen.
De school beschikt over een vernieuwd dyslexieprotocol.
De rol van ouders in onze zorgstructuur
De ouders verstrekken de school die informatie die noodzakelijk is om een goed antwoord te geven op de vraag die het kind aan het onderwijs stelt. Zij maken daarmee de leerkrachten tot medewerkers aan hun opvoedingsvragen.
Ouders en leerkrachten hebben elk hun eigen expertise en verantwoordelijkheid. Om prangende opvoedingsvragen tegemoet te kunnen treden is het van belang dat zij tot een medewerkerschap komen binnen de school. Zie hiervoor hoofdstuk 5. Een goed afgestemd overleg en samenwerking tussen leerkracht en ouders met name als er extra aandacht nodig is zijn van groot belang in de ontwikkeling van een leerling.
Schoolarts en GGD-arts
Op dit moment hebben wij geen antroposofisch schoolarts. U kunt voor een eventueel consult terecht bij de heer R. Slot, antroposofisch arts te Deventer.
Gedurende de schoolperiode worden de kinderen een aantal malen opgeroepen door de GGD-arts. Ook komt een logopediste van de GGD de spraak- en taalvaardigheid van de kinderen controleren. U wordt hierover altijd van tevoren geïnformeerd.
Samenwerkingsverband
Niet alle leerlingen passen op een gewone basisschool. Daarvoor is het nodig dat de school zijn Zorgprofiel kan beschrijven. Zij beschrijft daarin voor welke leerlingen zij denkt iets te kunnen betekenen. Dit zorgprofiel zal het komende jaar ontwikkeld worden. Binnen de wet Passend Onderwijs neemt de school de zorg op zich voor elke leerling die bij haar wordt aangemeld het juiste onderwijsaanbod te vinden. Dan wel in de eigen instelling dan wel in een school in de nabije omgeving.
De Noorderkroon zal vanaf augustus 2012 participeren in een Regionaal Samenwerkingsverband.
Als het de school niet lukt een leerling te geven wat hij nodig heeft, kan er in overleg met het Samenwerkingsverband worden gezocht naar en passende onderwijsvorm voor de betreffende leerling.
Resultaten van het onderwijs
Schoolkeuze voortgezet onderwijs
In de zesde klas wordt in de loop van het schooljaar door de klassenleerkracht en de interne begeleider samen met de ouders gekeken naar de schoolkeuze van de leerling na het verlaten van onze school.
De klassenleerkracht heeft zich in de loop van de tijd een beeld gevormd over de leerling. Daarbij wordt gekeken hoe het kind zich in de loop van de schoolperiode als persoon heeft ontwikkeld en hoe de ontwikkeling is geweest op het gebied van kennis en vaardigheden.
Naast dit beeld van de klassenleerkracht (mede ontstaan in overleg met collega’s) wordt er een onafhankelijke eindtoets afgenomen. Scholen voor voortgezet onderwijs zijn wettelijk verplicht bij aanname van leerlingen gebruik te maken van een toets door een onafhankelijke instantie.
De Noorderkroon doet mee aan het EEG8 ( Enschedees Eindonderzoek groep 8). Dit is een onderzoek waaraan alle Enschedese basisscholen deelnemen. Het is een initiatief van de Enschedese scholen voor voortgezet onderwijs. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Geldergroep uit Hengelo. Het eerste deel van dit onderzoek bestaat uit een zgn.capaciteitenonderzoek, waarvoor gebruik gemaakt wordt van de NIO.
De test geeft een indicatie van de mogelijkheden van het kind en geeft bovendien een eerste indicatie van de “passende”opleiding na de basisschool. Het tweede deel van het onderzoek is een onderzoek naar de schoolvorderingen van de leerling, daarbij wordt gebruik gemaakt van toetsen die voor een deel ook binnen onze school al gebruik worden in het kader van het Leerling Volg Systeem. Bovendien wordt er door de leerkracht nog de Apeldoornse Vragenlijst (AVL) ingevuld, deze lijst is bedoeld om zicht te krijgen op de begeleidingsbehoefte van de individuele leerling. De leerling zelf vult de SVL in. Een vragenlijst die inzicht geeft in het sociaal-emotioneel functioneren van de leerling.
Het EEG8 is zo samengesteld dat mocht een leerling in aanmerking komen voor l.w.o.o. (Leerweg ondersteunend onderwijs) er niet nog extra onderzoek hoeft plaats te vinden. De Geldergroep rapporteert vervolgens naar school en ouders omtrent de resultaten van het onderzoek en op basis hiervan geeft zij een indicatie van de passende opleiding na de basisschool. Hierna vinden de gesprekken plaats met de ouders over het uiteindelijke schoolkeuzeadvies.
Voor de ouders van de zesde klas zal vroeg in het schooljaar een ouderavond worden gehouden, waarin uitgebreide informatie gegeven zal worden over het voortgezet onderwijs en deelname aan het EEG8. Omstreeks januari, februari vinden er schoolkeuze gesprekken plaats met de ouders. In maart vindt dan de aanmelding bij de school voor voortgezet onderwijs plaats en wordt het onderwijskundig rapport door de leerkracht ingevuld.
Om een indruk te krijgen waar onze leerlingen naar toe gaan, volgen hier de percentages over de afgelopen jaren:
Schoolsoort aantal leerlingen
VMBO 10 %
Theoretische leerweg/HAVO 30 %
HAVO / VWO / gymnasium 60 %